Een blog van Rafa Grinfeld, libertair en gericht op sociale, democratische en gemeentelijke vrijheden.
Tuesday, July 31, 2007
Een beweging opbouwen
De term libertair municipalisme is geïntroduceerd door Murray Bookchin, Doug Morris interviewde hem daarover. Dit interview verscheen in Anarchism, Marxism and the Future of the Left. Interviews and Essays, 1993-1998 (1999). Edinburgh and San Francisco : A.K. Press. ISBN 1-873176-35-X.
Enige jaren geleden werd deze tekst vertaald door Bookshop Rosa uit Groningen, met dank. De tekst is hier en daar licht aangepast nu.
Chinezen zeggen dat als je duizend mijl gaat lopen, je de eerste stap moet doen. Veel mensen zien een libertaire communistische samenleving, of zelfs basisverbeteringen in de maatschappij, als het lopen van de duizend mijl. Wat zou jij zien als de eerste stap?
De Chinezen waren niet de enigen die het ‘eerste stap’-aforisme naar voren brachten. Maar laat ik mijn suggesties geven. Ik geloof sterk dat de bestaande sociale orde uiteindelijk revolutionaire impulsen zal voortbrengen, voornamelijk vanwege de schade die ze noodzakelijkerwijs toebrengt aan de levens van mensen. Wanneer dit begint te gebeuren, moeten er groepen klaar staan - uitdrukkelijk revolutionaire groepen - die kunnen opvoeden, mobiliseren en de meerderheid van de mensen helpen te werken aan een fundamentele sociale verandering. Er bestaan vandaag de dag meer dan genoeg reformistische organisaties, die proberen de verschillende aantastingen die deze maatschappij toebrengt te verhelpen, met concrete dagelijkse punten die variëren van giftig afval tot antiracisme. Wat we nadrukkelijk nodig hebben zijn organisaties die proberen een verreikend bewustzijn te ontwikkelen over de onderlinge samenhang tussen schijnbaar los van elkaar staande problemen, en hun gemeenschappelijke wortels in de maatschappij als geheel, en om deel te nemen in een praktijk die mensen ertoe kan brengen fundamentele veranderingen door te voeren. Ik kan de noodzaak van het vormen van dergelijke revolutionaire linkse organisaties niet sterk genoeg benadrukken.
Zoals ik al heb aangegeven zit de maatschappij tegenwoordig midden in een ideologische contrarevolutie. Ik zou die niet willen vergelijken met de McCarthy-gebeurtenissen in de vroege jaren '50, toen mensen fysiek vervolgd werden vanwege hun linkse overtuigingen. Ook zou ik het geen fascisme willen noemen, waarin mensen naar concentratiekampen werden gestuurd. De ideologiese contrarevolutie die zich nu voordoet is gebaseerd op geheugenverlies, een verlies van de continuïteit met een revolutionair verleden, en een algemeen dommer worden van de gehele bevolking. Ik vind de terugval in het algemene niveau van kennis en opvoeding vandaag de dag ontstellend - het zogenaamde informatietijdperk is een buitengewoon slecht geïnformeerde periode. Een immens aantal jonge Amerikanen bijvoorbeeld kan niet eens de staat waarin ze wonen op een kaart aanwijzen, of de belangrijkste hoofdsteden van de wereld aangeven. Ze zijn opmerkelijk onwetend, zelfs op het gebied van algemene politieke theorie en de geschiedenis en betekenis van socialisme, anarchisme, communisme en communalisme.
Ik geloof dat onze eerste stap in het doen herleven van Links het terughalen van de kennis zal zijn die vroegere generaties bezaten, en die ons weer meester maken. Dat zal een uitgebreid leerproces vereisen dat zeker niet gevonden kan worden op gewone scholen en campussen. Revolutionairen die verbonden zijn met deze levensbelangrijke taak moeten eerst hun eigen bewustzijn ontwikkelen. Ik heb het nu nog niet over het maken van de stap naar de politiek - dat is een aparte kwestie. Vandaag kan een revolutionair Links slechts een beperkte sociale reikwijdte hebben; vandaar dat het deze kostbare tijd moet gebruiken voor het herontdekken en weer opbouwen van radicaal bewustzijn. We kunnen dat doen door groepen te vormen die niet alleen hedendaagse problemen, maar ook de ideeën en bewegingen die samen de revolutionaire traditie vormen - alsmede de lessen die deze bieden - intensief bestuderen.
Tegelijkertijd zouden dergelijke studiegroepen filosofie en ethiek willen bestuderen, alsmede geschiedenis en sociaal denken. Ze zouden de lessen van het verleden willen leren, net als die van het heden. Naar mijn mening zouden de lessen van het verleden hen logischerwijze leiden naar sociale ecologie als een algemene manier van kijken en naar libertair municipalisme als een politieke theorie en praktijk. Ze zouden de logica van deze denkbeelden willen begrijpen en die op een samenhangende manier willen formuleren, ze uitdrukken in hedendaagse begrippen, en - laat ik dat benadrukken - hun conclusies in de vorm van programma’s gieten die grote aantallen mensen kunnen bereiken.
Kun je iets zeggen over jouw benadering van het vormen van studiegroepen?
Mijn aanpak is amper origineel - ik laat me er niet op voorstaan vernieuwend te zijn op dit gebied. Studiegroepen zijn een deel van de revolutionaire traditie geweest, al sinds de achttiende eeuw. Een studiegroep ontstaat wanneer een aantal individuen vaststellen dat zij een interesse delen in een bepaald aantal ideeën. Normaal gesproken bestaat een studiegroep uit een klein aantal serieuze mensen dat een bepaald boek of serie boeken uitkiest die ze vooral waarderen. Als het marxisten zijn, zouden ze ‘Het Kapitaal’ kunnen uitkiezen, een werk dat ik zou aanraden voor elke revolutionaire groep, of als het sociaal-anarchisten zijn, zouden ze Kropotkin's ‘Fabrieken, Velden, Werkplaatsen’ of zijn geschiedenis van de Franse Revolutie kunnen kiezen. Ze zouden een utopisch-socialistische roman kunnen doorspitten. Wat ze ook kiezen, ze lezen het gezamenlijk, misschien geleid door iemand die meer afweet van radicale ideeën dan de meesten van hen, en bespreken het geheel op hun bijeenkomsten. Of ze zouden een ander werk hardop kunnen lezen op hun bijeenkomsten, en het zorgvuldig kunnen bediscussiëren en analyseren. Het boek zou in de grond een gids voor het leren van nieuwe ideeën en het ontwikkelen van hun denken zijn. Zo gauw ze klaar zijn met een bepaald werk zouden ze doorgaan met andere, hopelijk kiezen ze volgend leesmateriaal op een zo systematisch mogelijke manier.
Een studiegroep die op deze manier doorgaat kan zichzelf vormen tot een soort van intellectuele gemeenschap, waarbinnen de leden een agenda vaststellen van de onderwerpen die ze elke week willen bespreken. In het proces van lezen, studeren en gezamenlijk bespreken - als een resultaat van het geven en nemen in de discussie en het in zich opnemen van de kennis die boeken leveren - kunnen ze zich geleidelijk ontwikkelen tot een verzameling studiegroepen. Studiegroepen gebaseerd op dezelfde interesses, zelfs in verbinding met elkaar via een coördinatiegroep. Een studiegroep die we een aantal jaren geleden in Burlington hadden vermenigvuldigde zich in meerdere subgroepen, waarin sommigen revolutionaire geschiedenis bestudeerden, anderen dialectische filosofie en weer anderen radicale politieke theorie, maar hun leden kwamen ook bijeen in gezamenlijke bijeenkomsten.
Dergelijke groepen hoeven niet gefixeerd te zijn op studeren alleen. Als het studeren de leden eenmaal een gezamenlijke basis gegeven heeft in gedeelde politieke ideeën, kan de groep ook een politiek leven gaan leiden. Feitelijk is het mijn hoop dat dergelijke groepen politiek worden. Ik geloof dat een studiegroep niet slechts een academische oefening zou moeten zijn, maar de kern van het opbouwen van een beweging. Eén van de eerste stappen van de studiegroep in het politiek worden, zou het uitgeven van een nieuwsbrief of een andere kleine krant zijn, een mechanisme waardoor de leden hun schrijverskwaliteit zouden ontwikkelen en hun ideeën zo duidelijk mogelijk zouden formuleren. Een dergelijke krant zou geen wijde verspreiding hoeven te hebben - in feite zouden we ons moeten bevrijden van de wazige opvatting dat we een krant moeten publiceren die duizenden mensen zou moeten bereiken.
Op dit moment is het zo dat als we proberen teveel mensen te bereiken ons dat waarschijnlijk niet zou lukken, en het intellectuele niveau van onze krant of tijdschrift zou gemakkelijk kunnen dalen. De krant zou eerder een medium zijn om algemene ideeën over sociale kwesties te ontwikkelen dan louter een informatiebulletin of een publicatie die gericht is op slechts één kwestie.
Bovenal zou de groep haar politieke ideeën zo coherent als mogelijk moeten ontwikkelen. Coherentie is volgens mij erg belangrijk, want als we een brede politieke beweging willen opbouwen - één die georganiseerd is – dan moeten de ideeën waarop ze gebouwd is de onderlinge samenhangen en oorzaken van de verschillende op dat moment spelende kwesties verduidelijken. Dat betekent niet dat de studiegroep dogmatisch moet worden op een niet nadenkende, rigide manier - ideeën moeten altijd gewijzigd kunnen worden wanneer veranderingen noodzakelijk zijn. Maar de ideeën zouden gericht moeten zijn op het doel van het scheppen van een rationele, ecologische en libertaire maatschappij.
Tenzij de groep gericht is zal ze blijven ronddraaien in veel verschillende, vaak tegenstrijdige richtingen, met rampzalige gevolgen. Het verhaal van de jaren '60 van de vorige eeuw - de opkomst, belofte en neergang - laat zien hoe belangrijk het is een coherente manier van kijken te hebben. De zenuwachtige, vaak volkomen ondoordachte draaiingen en woelingen waaraan Nieuw Links leed na 1968, zijn een dramatisch bewijs van het feit dat de beweging zichzelf eenvoudigweg opbrandde in een rare combinatie van onzekerheid en fanatisme, van een gevoel van noodzakelijkheid tegenover onbeduidendheid.
Als de groep voldoende revolutionaire traditie in zich opneemt, en zijn eigen ideeën coherent formuleert, zullen veel van zijn leden toegewijde revolutionairen worden. Veel ideologische veranderingen zullen zeker onbewust bij de groepsleden plaatsvinden. In feite is één van de belangrijkste rollen die een revolutionaire organisatie kan spelen het aan de oppervlakte brengen van revolutionaire verlangens en impulsen die eerder onbewust waren, zodat mensen die een beginnende vervreemding voelen hopelijk veranderd kunnen worden in revolutionairen die de huidige sociale orde bewust afwijzen.
Laat me benadrukken dat in periodes van diepe reactie zoals we die op dit moment hebben, goedgeorganiseerde studiegroepen van toegewijde mensen het belangrijkste steunpunt geweest zijn voor het levendig houden van serieuze oppositie tegen de sociale orde. Studiegroepen stammen feitelijk uit de 18e eeuwse Franse Verlichting, een tijd waarin de Franse monarchie als een dood gewicht op de Franse maatschappij drukte. In de decennia voor de Franse Revolutie van 1789, kwamen de Encyclopedisten, of Philosophes zoals ze genoemd werden, op zondagmiddagen bij elkaar in wat we studiegroepen zouden kunnen noemen. Mannen zoals Diderot, D’Alembert, Holbach en anderen kwamen regelmatig bij elkaar, en aten samen, terwijl ze fel ideeën bediscussieerden. Ze lazen hun manuscripten voor of deelden die rond - geschriften die nu tot de klassieken behoren in de geschiedenis van de filosofie en politiek. Ze schreven zelfs romans en lazen die aan elkaar voor. Dergelijke briljante studiegroepen, of ‘kringen’, waren zeker zeldzaam, maar ze bestonden op alle niveaus van de Franse maatschappij.
Deze groepen leverden het onmisbare intellectuele gist dat voedsel gaf aan de Franse Revolutie. Veel van hun geschriften verschenen als pamfletten, of werden bewerkt tot een simpele vorm zodat gewone mensen ze konden lezen. In de vroege dagen van de Revolutie, lazen de wachters van de koning radicale pamfletten zelfs aan de poorten van het paleis. Arthur Young, een Engelsman die in die tijd door Frankrijk reisde, meldde dat in Parijs zelfs de koetsiers zo bezig waren met lezen dat de teugels van de paarden los kwamen te hangen, en de koetsiers eraan herinnerd moesten worden dat ze de paarden moesten mennen.
De sociaal-ecologische studiegroepen die ik voor onze huidige tijd wil voorstellen, zouden hopelijk met elkaar in contact treden, met elkaar een verbinding aangaan en publicaties uitwisselen. Het is niet buitenissig om te denken dat ze een netwerk op lokaal, regionaal en (als het mogelijk) is nationale schaal kunnen vormen, misschien zelfs internationaal, en meerdere malen gezamenlijke conferenties kunnen houden, ideeën uitwisselen en gezamenlijke vraagstukken uitwerken. Vanuit dat soort pogingen zijn in de geschiedenis bewegingen gevormd en zij kunnen vandaag de dag op dezelfde manier gevormd worden.
Wanneer men aan veel mensen voorstelt een studiegroep te vormen, antwoorden ze vaak (erg pessimistisch) dat je tegenwoordig gewoon geen mensen meer samen in groepen kunt krijgen. Mensen werken in banen overdag en ze hebben ‘s avonds verantwoordelijkheden. Ze maken zich zorgen over hoe ze hun gezinnen te eten moeten geven, levend van de ene dag naar de andere. Ze zeggen dat ze geen tijd hebben om deel te nemen in organisaties om de maatschappij te veranderen. Wat zou je tegen hen zeggen?
Ik zal heel eerlijk zijn. Het is duidelijk dat er tijden zijn - vooral in perioden van diepe reactie - waarin de moeilijkheden die de groepen en netwerken die ik beschrijf tegenkomen, erg groot en diep zijn. Maar ik word steeds ongeduldiger met mensen die beweren dat ze ‘te druk bezig' zijn om zichzelf moreel en intellectueel op peil te brengen of te ontwikkelen. Veel mensen zijn verschrikkelijk bezig met onbeduidende dingen en zijn bezorgd over hun persoonlijke belangen ten koste van zaken van algemeen belang. Dat is waarom ik zo fel geschreven heb tegen de levensstijlanarchisten en spirituele marxisten die tegenwoordig links depolitiseren.
Mensen die beweren dat ze geen tijd hebben om een studiegroep te vormen verdoen vaak uren met het kijken naar onzinnige televisieprogramma’s of het bijwonen van sportevenementen, en ze staan vaak uren in de rij om golf te spelen. Het is niet zo dat ze niet samen kunnen komen in groepen - ze kúnnen groepen vormen en vormen ook andere groepen, maar met andere bedoelingen. Ik betwijfel fundamenteel de oprechtheid van dit bezwaar.
In stadions komen tientallen duizenden mensen bij elkaar.
Inderdaad. Mijn punt is dat dergelijke mensen waarschijnlijk niet geïnteresseerd zijn in het vormen van een studiegroep, en wat mij betreft, ik zou niet proberen ze te overhalen dat wel te doen. Er is altijd een klein aantal mensen, vooral in tijden als deze, dat wel wilt studeren, die inderdaad hongeren naar leren. Dit zijn de mensen waar ik werkelijk in geïnteresseerd ben - mensen die een actieve geest hebben en die sociale vraagstukken willen bestuderen. Elke week ontvangen Janet - mijn levensgezel en medewerkster - en ik, brieven van mensen die het volgende zeggen : “We moeten in contact met jullie blijven, we zouden willen dat we in Burlington woonden zodat we met jullie konden samenwerken.”
Ongelukkigerwijze moeten veel mensen lange uren maken of inspannend werk verrichten. Ze hebben alleen tijd om te eten en te slapen en kunnen amper genieten van de leuke dingen van het leven. Alles wat ik hen kan aanraden is te kijken naar hun levens en zichzelf af te vragen welke waarden zij belangrijk vinden. Waar leven ze voor? Het leven moet meer betekenis hebben dan alleen overleven. Naar mijn mening zouden ze elke inspanning moeten doen om uit te stijgen boven het louter overleven.
Hoe moeten studiegroepen een revolutionair links vormen?
Ik geloof dat onze studiegroepleden, wanneer zij eenmaal bezig zijn hun ideeën te ontwikkelen, zich moeten onderdompelen in de gemeenschappen waarbinnen zij leven. Ze moeten beginnen met zich in te zetten voor de communalistische of libertair municipalistische politiek die ik elders beschreven heb. Ze moeten proberen mensen te bereiken op het plaatselijk niveau. Ik stel niet voor dat ze zich alleen richten op het plaatselijke niveau, ideologisch noch praktisch. Wat ik bedoel is dat ze moeten proberen een libertair municipalistische beweging op een grassrootsbasis te scheppen.
Ze moeten proberen, zoals ik aangeraden heb, een beweging te vormen om mensen te onderwijzen over het scheppen van een directe 'face-to-face' democratie, vooral in samenwerking met mensen die geïnteresseerd zijn in sociale verandering, maar die hun ideeën over welke richting ze zullen opgaan nog duidelijk moeten krijgen. Ze moeten proberen een radicale politieke cultuur te scheppen door het houden van lezingenseries en openbare forums, door het schrijven en publiceren van gemeenschapsnieuwsbrieven en door het organiseren van evenementen en demonstraties rondom verschillende gemeenschapskwesties.
En, wat van het grootste belang is, ze zouden moeten proberen de mensen te helpen het beheer van hun eigen plekken, de plaatsen waar ze werken, en de buurten, steden, of dorpen waarin ze leven, in eigen hand te nemen. Ze moeten het volk helpen buurtbijeenkomsten, stadsbijeenkomsten, stadsdistrictsbijeenkomsten, of dorpsbijeenkomsten te organiseren, waar mensen samen kunnen komen en hun gemeenschappelijke problemen bespreken. Ze zouden zelfs stadsdistrictsbijeenkomsten moeten instellen waar mensen elke maand of elke twee maanden kunnen samenkomen. In het begin zal het animo voor deze bijeenkomsten klein zijn, maar in tijden van sociale onrust zullen mensen in steeds grotere getale eraan deel gaan nemen.
Ik moet je er voor waarschuwen dat het vormen van volxbijeenkomsten op zichzelf niet noodzakelijkerwijs revolutionair is. Als ik deze week naar een stadsdistrictsbijeenkomst zou gaan - we hebben ze hier - dan zou ik mogelijk projectontwikkelaars, makelaars, effectenmakelaars en bankiers tegen kunnen komen. Deze mensen staan er inmiddels om bekend dat ze naar volksbijeenkomsten komen om hun eigen agenda doorgevoerd te krijgen. Dus het organiseren van een bijeenkomst is op zijn best een beginstap in het vormen van een radicaal politiek strijdperk. Door het bedebatteren van kwesties met de reactionairen in de gemeenschap, kunnen de studiegroepleden de leden van de gemeenschap laten zien dat er een alternatief gezichtspunt bestaat en de onduidelijkheden tussen hen en zichzelf uit de weg ruimen.
Het is de plicht van onze studiegroep, of politieke groep, politiek bewustzijn te bevorderen. Dit zou zich kunnen ontwikkelen in op zijn minst drie stappen. De groep zou eerst een minimumprogramma moeten presenteren, een programma gestructureerd rond praktische, directe eisen die de kwaliteit van het leven in de gemeenschap zouden verbeteren. Zo’n programma zou het best kunnen bestaan uit wenselijke, zelfs elementaire hervormingen.
Onze groep zou zo’n programma goed in de openbaarheid kunnen brengen door kandidaten mee te laten doen aan verkiezingen voor het lokale bestuur. Eén van de belangrijkste eisen in hun programma zou juist de eis voor volxvergaderingen kunnen zijn, met als doel de mensen in de gemeenschap macht te geven.
De tweede stap zou zich naar mijn verwachting voordoen terwijl we ons bezighouden met openbare opvoeding, waarbij we hopelijk steeds meer brede ondersteuning voor onze ideeën zouden winnen. We zouden dan de voortgang maken naar een overgangsprogramma, waarin we onze eisen zouden uitbreiden zodat ze verder zouden reiken dan elementaire hervormingen. Daarna, wanneer de gemeenschap zelfs nog meer geradicaliseerd wordt, zouden we ons overgangsprogramma uitbreiden totdat we in een positie zijn waarin we onze maximumeisen naar voren kunnen brengen, namelijk eisen voor de volledige herstructurering van de politieke macht, en we onze eerste stappen kunnen doen naar gemeentelijke besturing van de economie.
Tegelijkertijd met deze lokale activiteit zouden we ons bezig gaan houden met interlokaal werk. Dit wil zeggen dat waar onze gemeenschappen, zelfs buurten, in staat zijn geweest volxvergaderingen te vormen, we zouden proberen een gemeenschappelijke confederale raad te vormen, in de hoop van in de loop van de tijd zelfs regionale en uiteindelijk nationale confederaties op te zetten. De volxvergaderingen van verschillende gemeenschappen zouden via hun stadsraden afgevaardigden naar de confederale raden sturen en regionale confederaties vormen die dienst zouden doen als coördinerende en uitvoerende lichamen.
Uiteindelijk zouden deze met elkaar verbonden groepen en confederaties een belangrijke kracht in de maatschappij worden, ze zouden de Staat de macht over de maatschappij betwisten. De publieke macht die ze naar zich hebben toegetrokken zal noodzakelijk verkregen worden ten koste van de macht van de natie-staat. Hopelijk zou de macht van de natie-staat voldoende afgenomen zijn, zodat de mensen hun steun ervoor zouden intrekken, en het ineen zou storten als een kaartenhuis. Maar als dat niet gebeurt zou de confederatie de natie-staat moeten uitdagen - dat wil zeggen, haar soevereiniteit opeisen op een revolutionaire manier.
Wat is jouw voorstel voor het vormen van levensvatbare volxvergaderingen in grote steden, waar mogelijk duizenden vergaderingen nodig zijn om iedereen deel te kunnen laten nemen?
Weet je, in het Parijs van 1793 zouden diegenen die met dit puur rekenkundig argument afgekomen zouden zijn, gewoonweg reactionair genoemd zijn door de revolutionaire enragés. Ik bedoel dus hier het argument tegen de oproep om macht te geven aan de achtenveertig volxvergaderingen of secties van de stad - omdat een paar duizend secties nodig zouden zijn om de hele++ bevolking van 700.000 te omvatten.
Ten eerste, in een libertair-communistische maatschappij zou de stad zowel fysiek als institutioneel gedecentraliseerd zijn, wat het voor iedere gezonde inwoner mogelijk zou maken deel te nemen in vergaderingen. Echter, als we ons baseren op alle vroegere ervaringen, met inbegrip van de Atheense vergaderingen in de tijd van Pericles, is het onwaarschijnlijk dat de hele bevolking alle bijeenkomsten van de vergaderingen zou bezoeken en er aan deelnemen. Zelfs gedurende de meest stormachtige periodes van de Franse Revolutie van 1793, toen de politieke interesse van de gewone Parijzenaars op zijn hoogtepunt was, kwamen nooit àlle buurtbewoners op de bijeenkomsten van de sectievergaderingen. Zelfs de toelating van vrouwen tot de revolutionaire secties maakte geen merkbaar verschil op dit vlak. Hoewel politiek actieve vrouwen die secties vrij konden bezoeken en er aan deelnemen, en dat ook deden, was het totale aantal deelnemers nog steeds niet altijd erg groot.
Het libertair municipalisme kan er reëelerwijze van uit gaan, hoewel het zeker niet rekent op de afwezigheid van een deel van de burgerij bij de vergadering, dat deelname aan de vergaderingen, vandaag en in de voorzienbare toekomst, numeriek niet anders zal zijn dan het geval was op het hoogtepunt van de Atheense democratie en de Franse Revolutie. Nogmaals: het vestigen van volxvergaderingen zal waarschijnlijk voornamelijk de politiek meest actieve individuen in zich verenigen, misschien slechts een fractie van de bevolking als geheel.
Veel individuen willen misschien de bijeenkomsten bezoeken, een recht dat ze vrijelijk moeten hebben. Een libertaire gemeente zal echter haar poorten openen voor de deelname van al haar competente volwassen inwoners. Diegenen die beslissen om de deuren van de vergadering binnen te gaan, te gaan zitten, te luisteren naar discussies en daaraan deel te nemen, zijn, ethisch zowel als politiek, gerechtigd deel te nemen aan het proces van besluitvorming.
Vanuit dezelfde achtergrond moeten diegenen die niet wensen deel te nemen aan een vergadering niet gedwongen worden dat wel te doen. Diegenen die ervoor kiezen de deuren niet binnen te gaan (waarbij ook rekening gehouden wordt met moeilijkheden door tegenwerkende omstandigheden) hebben zeker het recht om af te zien van het uitoefenen van hun democratische rechten bij volxvergaderingen, maar door hun eigen wil hebben ze zich dan ook ongerechtigd gemaakt tot het deelnemen aan de besluitvorming. En ze hebben ook niet het etische recht om te weigeren zich te houden aan de besluiten van de vergadering, aangezien ze die besluiten hadden kunnen beïnvloeden door simpelweg de vergadering te bezoeken.
Mensen zouden politieke besluiten niet voor de vuist weg moeten nemen maar na een grondige en rationele discussie. Besluiten die niet het resultaat zijn van rationele discussie zijn vaak waardeloos en zelfs ongewenst. Om dezelfde reden is de ‘elektronische’ demokratie ongewenst. Iemand die stemt door op een groene of een rode knop van een computer of een ander elektronisch apparaat te drukken, functioneert niet op rechtsreeks-democratische wijze maar neemt slechts deel aan een raadpleging van mensen, waarin weinig of niets aanwezig is van het redeneren of het denkmatige proces van het ontwikkelen van een beleid. Dit soort ‘luie’ democratie, die onderwerp is geweest van een aanzienlijke discussie, is een klucht en moet verworpen worden.
Hoe moeten we mensen er van overtuigen dat het noodzakelijk is fundamentele veranderingen in de maatschappij door te voeren, de maatschappij te radicaliseren?
Het komt erg weinig voor dat een revolutionaire organisatie mensen kan ‘overtuigen’ dat ze fundamentele veranderingen in de maatschappij zouden moeten doorvoeren. De noodzaak om dergelijke veranderingen door te voeren, om maar niet te spreken van de overtuiging dat ze dat zouden moeten doen, is in overstelpende mate het werk van historische krachten, zoals ernstige ekonomische krisissen, sociale instabiliteit, ecologische ineenstorting etcetera. Maar het is één van de taken van een revolutionaire organisatie om hen hoop te bieden, het gevoel dat ze het beter zouden hebben als ze als sociale wezens zouden handelen. Mensen moeten voelen dat ze niet altijd aangevallen hoeven te worden door de eisen die het kapitalisme hen stelt, dat ondraaglijke omstandigheden niet hoeven te bestaan, dat een betere wereld mogelijk is als zij handelen. Geen radicale beweging kan de werking van de geschiedenis overnemen om het zo te zeggen, maar ze kan een weg bieden die mensen betere levens geeft als ze de maatschappij veranderen.
Het mislukken van vele ecologisten en leefstijlers voor wat het aanbieden betreft van realistische alternatieven voor de status-quo - hun stap naar het mysticisme, angst voor de techniek, mensenhaat, Malthusiaanse begrippen, en zelfs primitivisme - is erg betreurenswaardig omdat ze de mensen de hoop en dus de motiverende kracht om de wereld te veranderen ontneemt. Geen normaal mens wil horen dat hij of zij verantwoordelijk is voor de problemen van de wereld omdat hij/zij teveel kinderen heeft, teveel consumeert, of een auto of een computer heeft. Dergelijke verwijten stoten mensen af die anders graag grote revolutionaire veranderingen zouden willen zien, en dat is ook te begrijpen.
Een serieuze revolutionaire beweging kan hoop bieden aan ontevreden mensen die zich onderdrukt voelen door de bourgeoismaatschappij (maar voor wie het niet duidelijk is waarom), door hen de problemen die door het kapitalisme veroorzaakt worden te verklaren, en hen een duidelijke richting te verschaffen die ze kunnen begrijpen en volgen. De beweging wordt beschikbaar voor hen als een middel voor het bereiken van een nieuwe maatschappij, door het aanbieden van haar rijkdom aan ervaring, inzichten, en samenhang. Deze twee - de sociale krachten die mensen in opstand doen komen en de beweging die hun problemen inzichtelijk maakt - moeten samenkomen om verandering mogelijk te maken. Totdat de mensen tot aktie gebracht worden moet de beweging, hoe klein ze ook mag zijn, zich voorbereiden op een tijd waarin dat samengaan mogelijk is. Ze moet erg rijk aan kennis en verantwoordelijkheid worden en ze moet langzaam maar volhardend werken om nieuwe mensen te winnen die kunnen functioneren als revolutionairen in een tijd van sociale onrust.
Denk je dat het zin heeft dat de Groenen in de Verenigde Staten iemand kandidaat stellen voor de presidentsverkiezingen, Ralph Nader, terwijl ze zich minder concentreren op hun activiteiten op het lokale vlak?
Sta me toe je mijn eigen achtergrond bij de Groenen te geven, aangezien mensen nu druk bezig zijn de geschiedenis ervan te herschrijven. Ik was al betrokken bij de Duitse Groenen toen ze zich begonnen te organiseren in de late jaren '70 en aan het begin van de jaren '80. Ik kende de meeste Groene leiders in Duitsland, inclusief Joschka Fisher en Dany Cohn-Bendit, in een tijd dat ze nog anarchisten waren. Ik kende ook voortreffelijke stichters van de Groenen, zoals Jutta Dithfurt en Manfred Zieran, die het programma van de Duitse Groenen schreven - het eerste groene programma dat in Duitsland en de VS verscheen.
In de Verenigde Staten werkte ik met het Instituut voor Sociale Ecologie, dat ik mee oprichtte in 1974 - en sommige mensen van het Instituut waren op de oprichtingsvergadering van de Groene beweging in de Verenigde Staten, in Minneapolis. Ik was de belangrijkste spreker op de eerste Groenenbijeenkomst in Amherst, Massachussets, in 1987, waar ik mijn kritiek op de Diepte-ecologie naar voren bracht.
Zowel in Duitsland als in de Verenigde Staten was, vóórdat de Groenen grote organisaties werden, het gebruiken van een libertair municipalistische benadering van de politiek één van de belangrijkste punten die ik benadrukte. Ik verzette me fel tegen de intrede van de Duitse Groenen in de Bundestag, het Duitse parlement, waarbij ik in het openbaar inhoudelijke kritiek leverde op de intrede. Ik waarschuwde dat wanneer de Groenen in de Bundestag zouden gaan zitten ze gecorrumpeerd zouden worden. Ik voerde aan dat ze geen solide basis in lokale gemeenschappen schepten, dat ze geen levensvatbare organisaties schepten onder de mensen in Duitsland, en dat ze wel erg snel in de Bundestag sprongen, zonder enige basis in lokale gemeenschappen. Ik gaf aan dat ze de Bundestag totaal moesten vermijden.
Tegenwoordig zitten Duitse Groenen in de Bundestag. Joschka Fisher, de vroegere anarchist, was minister van Milieu in Hesse (in coalitieregeringen met de sociaaldemocraten) en is nu de leidende figuur in de partij. “We moeten een moderne consensus scheppen tussen regering en zakenleven”, zei hij onlangs, terwijl hij een politiek verdedigde van “het geven van aandelenopties aan werknemers in plaats van steeds maar hogere salarissen.” De man die aan het hoofd staat van een voormalige pacifistische partij ondersteunt nu een sterke Amerikaanse aanwezigheid in Europa en in de NAVO: “Alleen de Amerikanen kunnen de ‘grote stok’ verschaffen om vrede in Europa af te dwingen.” i Wat Dany Cohn-Bendit betreft: die is nu afgevaardigde in het Europese parlement. Waar de Groenen oorspronkelijk geweigerd hadden samen te werken met elke andere partij in Duitsland, waren ze later bereid regeringscoalities te vormen, niet alleen met de zogenaamde SociaalDemocraten maar ook met de CDU van Helmut Kohl, de grote conservatieve partij in Duitsland.
Een ontwikkeling die daar op lijkt, ten minste voor wat betreft het principe, deed zich voor in de Verenigde Staten, maar op een veel kleinere schaal. De Groenen in de VS hadden zich oorspronkelijk vastgelegd op het functioneren op lokale schaal, hoewel niet door het toepassen van een libertair municipalistische benadering. Maar de Groenen besloten later dat ze zouden gaan voor elke++ bewindsplaats die openstond, lokaal, voor de deelstaten, of nationaal. Het resultaat is dat de beweging gedegenereerd is tot een fundamenteel liberale organisatie, die, hoewel ‘progressief’, voor zichzelf een plek probeert te vinden binnen het huidige systeem.
De Groenen in de VS hebben in wezen hun originele verbintenis opgegeven om te werken op een strikt lokale basis, en veel Groene groepen zijn nu zelfs bereid om met de Democratiese Partij samen te werken. Voor het grootste gedeelte zijn het reformisten en hebben ze niet langer een in beweging brengende visie op het scheppen van een Groene maatschappij. Het resultaat is dat ‘Groen’ een modieus woord is geworden dat niet langer idealistisch is. In feite gebruiken zelfs grote bedrijven vandaag het woord ‘groen’ om voor hun produkten en activiteiten die zogenaamd ‘goed voor het milieu’ zijn, reklame te maken.
In 1996 besloten de Groenen in de VS dat ze Ralph Nader kandidaat zouden stellen voor het presidentschap. Nader is, zoals hij zelf toegegeven heeft, geen Groene - dat zei hij openlijk. Noch was hij lid van de partij of onderschreef hij het programma. Hij stond de Groenen simpelweg toe zijn naam te gebruiken als hun presidentskandidaat. Zijn campagne was absurd passief, en de gemengde boodschappen ervan waren alleen suksesvol voorzover zij mensen in verwarring brachten. Ik beschouw de Groenen op zijn best als naïef en op zijn slechtst als opportunistisch. Ik weet zeker dat er veel oprechte mensen in de rangen van de Groenen zitten, maar ze zijn politiek nog steeds erg naïef.
Veel mensen vinden het moeilijk revolutionair te blijven gedurende lange perioden. Maar jij bent nu bezig aan je 78e jaar. Wat is er nodig om op de lange termijn een revolutionair te blijven?
In het verleden, onder omstandigheden die oneindig veel slechter waren dan de huidige hebben revolutionairen hun vasthoudendheid en betrokkenheid bij hun sociale ideeën behouden tot het einde van hun leven. Historisch gezien is dat niet ongebruikelijk, maar wat veranderd is zijn de tijden. Ik merk dat de generatie van na de Tweede Wereldoorlog ertoe neigt directe bevrediging te eisen, en dat op zo’n heftige manier dat ze erg vaak ideologisch instabiel geraakt.
In deze dagen moet ik toegeven dat ik me ongeveer voel als een geest uit voorbije tijden. Wat me ertoe brengt deze maatschappij te bestrijden is natuurlijk woede over onrechtvaardigheid, liefde voor de vrijheid en een gevoel van verantwoordelijkheid voor het bestendigen en uitbreiden van de menselijke geest - de schoonheid, de creativiteit en het latente vermogen ervan de wereld te verbeteren. Ik voel er niets voor tot een vergelijk te komen met een irrationele maatschappij die alles wat waardevol is in de mensheid uitholt en die alles wegvreet wat mooi en edel is in het leven van de mensheid.
Het kapitalisme verteert ons. Op het moleculaire niveau van het dagelijks leven verandert het ons ten slechte en het dwingt mensen extreem ongezonde rationaliseringen te geven voor waarom ze geloven dat de dingen waarvan ze wel weet hebben - of die ze in ieder geval ooit kenden - onecht zijn en voor het doen van dingen die afstompend en ontmenselijkend zijn.
Wanneer we strijden tegen het kapitalisme vechten we in werkelijkheid tegen onze eigen ontmenselijking, en zo gauw we volledig weten wat dat inhoudt versterkt het gevaar van overgave aan het systeem ons verzet. Als revolutionairen vechten we niet alleen voor een betere maatschappij maar voor onze menselijkheid als zodanig. Ik kan niet sterk genoeg benadrukken hoe belangrijk het is een coherente manier van kijken te behouden, onze ideeën bij elkaar te brengen, de samenhangen tussen de verschijnselen die ons omringen te begrijpen. Het hebben van dit theoretisch begrip versterkt ons verzet, ten eerste omdat het zin geeft aan ons verzet tegen de heersende maatschappij, en ten tweede omdat het ons de hoop geeft dat we in staat zullen zijn de maatschappij te veranderen. Het behouden van die hoop - zelfs als we niet zolang zullen leven opdat we onze idealen verwezenlijkt zullen zien - kan ervoor zorgen dat we ons blijven inspannen om een goede maatschappij te bereiken.
Coherentie, verzet en hoop geven ons het gevoel van wat de toekomst zou kunnen zijn. Door middel van speculatief denken, kunnen we, uitgaande van werkelijke potenties in menselijke wezens de rationele ontplooiing van hun verwerkelijking teweegbrengen. Dialektisch denken betekent denken in termen van zelfontplooiing en zelfverwerkelijking, en van sociale ontwikkeling en sociale verwerkelijking.
We kunnen een ethiek formuleren waarin mensen elkaar eerder aanvullen dan overheersen. Als wij als individuen geloven in vrijheid, zelfbewustzijn en samenwerking, dan kunnen andere mensen dat ook - het is inderdaad zo dat alleen al het herkennen van de mogelijkheid het bewijs is dat wederzijdse aanvulling binnen het rijk van de menselijke mogelijkheden ligt. Iedereen kan dit begrip verwerven, vooropgesteld dat hij of zij opgevoed en geïnformeerd wordt en oprecht naar de werkelijkheid kijkt in plaats van door middel van een televisiescherm.
Nu, wat zijn de voorwaarden die ervoor kunnen zorgen dat de potenties voor de vrijheid zich kunnen ontplooien? Als we dat probleem oplossen kunnen we de morele basis verschaffen voor de kritiek van de maatschappij. Tenslotte is het zo dat, als we geen standaard hebben voor wat een rationele wereld werkelijk inhoudt, we niet kunnen uitleggen waarom déze wereld irrationeel is. Om te kunnen beweren dat deze wereld gerechtigheid of vrijheid ontbeert hebben we een standaard nodig waarmee we gerechtigheid en vrijheid definiëren. Wat rationeel is, is ‘wat moet zijn’, en we kunnen tot dat ‘moeten’ komen door middel van een proces van dialekties redeneren.
Dialektisch redeneren is een onlosmakelijk deel van al mijn denken, dat wil zeggen, redeneren vanuit menselijke potenties en inzien dat denken uit kan stijgen boven de bestaande werkelijkheid en de mogelijkheden kan zien voor een maatschappij die kan voldoen aan de uitdagingen die opgeworpen worden door rationele inzichten. Als ons vermogen om onze eigen toekomst rationeel in kaart te brengen bezwijkt aan ‘dat wat is’, dan worden we ‘realisten’ in de slechtst denkbare betekenis van het woord. Dan staan we ons denken toe ons in het moeras te trekken van het pragmatisme van dat wat nu bestaat.
Een beweging die ermee akkoord gaat te werken binnen de grenzen van het systeem, beperkt zichzelf tot het slechts kiezen uit de alternatieven die het systeem zèlf oplevert. Het dwingt de beweging ertoe te kiezen voor het slechtere kwaad, in plaats van voor het grotere goed. Ik geef toe dat er situaties zijn waarin dergelijke keuzes gemaakt moeten worden. Maar wanneer een beweging wil binnengaan in het systeem en daar wil blijven dan worden deze keuzes de gewoonte. In de loop van de tijd leidt de politiek van het kleinere kwaad onveranderlijk, stapje voor stapje, tot het grootst mogelijke kwaad.
De Duitse geschiedenis geeft een treffend historisch voorbeeld. In 1919 nam de reformistische of Sociaal Democratische Meerderheid in wezen de regering over door het vernietigen van extreem links, een actie waarvan de moord op Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht, de oprichters van de Duitse Kommunistiese Partij, een onderdeel was. Daarna begonnen de Sociaal Demokraten, die de Conservatieve Partij weg wilden houden van de macht, de liberale en centrumpartijen te steunen. Maar op een gegeven moment moesten de Sociaal Demokraten, die Hitler van de macht wilden houden, de conservatieve partij steunen - die daarna Hitler aanstelden als Kanselier, en de SPD werd volledig vernietigd. Dit verhaal van de politiek van het kleinere kwaad verbijstert me nog steeds, zelfs na 65 jaar.
Het vermijden van de politiek van het kleinere kwaad is een andere reden waarom het voor ons belangrijk is revolutionairen te blijven en een revolutionaire beweging te vormen. Deze reeks van Duitse gebeurtenissen is deel van het revolutionaire onderwijs dat leden van studiegroepen moeten krijgen. Zonder kennis van de lessen van de Duitse sociaaldemokratie en veel andere partijen zullen jonge revolutionairen eenvoudigweg de fouten die in het verleden gemaakt zijn herhalen. Tenzij we dergelijke lessen erg goed leren zullen we wegzakken in mysticisme en personalisme, waarin uitroepen over verlangen, verbeelding en kunst ons misleiden en de boodschap die wij hebben voor een geteisterde wereld doen verdampen. We moeten bovenal een revolutionair besluit nemen om kennis en theoretisch begrip te verwerven, en om onszelf vast te leggen op principes.
Op mijn leeftijd hou ik me helemaal niet bezig met de vraag of ik de revolutie mee zal maken waarvoor ik mijn hele leven gevochten heb. Het kan zo zijn dat zelfs de jongste revolutionairen onder ons geen revolutie zullen meemaken zolang ze leven. Maar we moeten er toch voor blijven vechten, al was het maar om onze integriteit als mensen te behouden. Mensen moeten het fastfoodradicalisme van de 60er jaren opgeven, het soort dat morgen een revolutie en een goede maatschappij wil. ‘Als ik het morgen niet kan krijgen’, lijken ze te zeggen, ‘dan doe ik wat Jerry Rubin gedaan heeft en word een effektenmakelaar.’ Mensen die een direkt-klaar-revolutie willen, hebben een gebrek aan menselijke inhoud - het geduld, de standvastigheid, het vermogen om hard en zonder toeters en bellen te werken - die zo wezenlijk is voor het vormen van een echt Links.
Er is iets narcistisch - en narcisme is één van de plagen van ons tijdperk - aan het eisen van ‘onze’ revolutie als nu of nooit, aan het niet voelen van verbondenheid met en verantwoordelijkheid voor toekomstige generaties die de onze zullen vervangen, aan het ongeloof dat men heeft in sociale vooruitgang, aan het reduceren van sociale verandering tot weelderige leefstijlen en de vervulling van persoonlijke verlangens. Als dat de geestesgesteldheid was geweest van vroegere generaties van revolutionairen, dan zou er nooit een revolutionaire beweging geweest zijn. Mijn grootmoeder haar generatie van revolutionairen in Rusland had nooit gedacht dat zij gedurende hun leven een Russische revolutie mee zouden maken, toch gingen velen van hen naar Siberië doordat ze ervoor vochten - en velen van hen stierven daar ver voor 1917.
Het kan zijn dat we onze revolutie niet morgen krijgen en misschien zelfs niet gedurende ons leven. Echter, door ervoor te werken zullen we slechts dat doen wat grote revolutionairen van wie de namen ons onbekend zijn minstens tweehonderd jaar lang hebben gedaan: vechten voor een rationele maatschappij en voor de menselijke vrijheid.
Laat me aan al deze ideeën de grote maxime toevoegen die Marx zo goed geformuleerd heeft in zijn elfde stelling over Feuerbach: ‘De filosofen hebben de wereld slechts op verschillende manieren geïnterpreteerd, het gaat er echter om die te veranderen.’ We moeten handelen om de wereld te veranderen. Rijke kansen liggen nog steeds voor ons, evenals ernstige gevaren, en of mensen uiteindelijk in een maatschappij van samenwerking zullen leven hangt in grote mate af van wat wij vandaag doen. Ofwel zullen we een werkelijk collektivistische maatschappij hebben, gebaseerd op volxvergaderingen, op de municipalisering van eigendom en op municipale confederaties - een maatschappij waarin de mensen werkelijk de maatschappij regelen; òf we zullen één of andere vorm van totalitarisme en ecologische ineenstorting hebben. Deze keuze ligt bij ons nu we de éénentwintigste eeuw binnengaan, en als het ons niet lukt de uitdaging aan te nemen die ze stelt zal onze planeet werkelijk ontdaan worden van de rationaliteit en het bewustzijn die haar zin geeft.
Noot : 1. William Drozdiak, “Duitslands Groenen worden volwassen.” Washington Post, 2 aug. 1997.
Thursday, July 26, 2007
Peter Staudenmaier : "Tot op het einde van de jaren negentig was ik nog niet veel bekritiseerd geworden door antroposofen"

Peter Staudenmaier staat al jaren bekend om zijn kritische beschouwingen omtrent occulte stromingen, mystieke milieubeschermers, ethiek in verband met dierenrechten en extreem-rechtse duistere praktijken. Tijdens het voorbije jaar woonde hij in Berlijn. Net voordat hij “voorgoed” opnieuw richting VS vertrok, interviewde ik hem per telefoon.
Je werkt hard aan je dissertatie over antroposofie, hoe bevalt het studentenleven je?
Ik heb jarenlang gekozen om niet de academische weg op te gaan, en ik vind het nog altijd geen gemakkelijke weg. Er is niet veel ruimte voor kritische stemmen. En in de VS is er wat dat betreft niet veel verschil in de aanpak van politici. Republicans en Democrats laten ongeveer even weinig ruimte toe.
Heb je veel interessant materiaal gevonden in Europa?
Ja, hier in Duitsland, en ook wel in Rome, heb ik veel in archieven gevonden waar ik iets mee kon aanvangen voor mijn doctoraatsproefschrift.
Hoe ben je eigenlijk geïnteresseerd geraakt in het bekritiseren van antroposofie?
Toen ik als tiener in Duitsland opgroeide waren er vrienden van mij die er nogal door beïnvloed werden. Toen boeide het me al om er meer over te weten. Later, midden jaren negentig, verscheen er een boek van mij en Janet Biehl over ecofascisme. Maar pas op het einde van de jaren negentig verschoof mijn studiefocus steeds meer richting antroposofie. Op vraag van het Noorse tijdschrift Humanist schreef ik er een lange tekst over. Eerder was dat boek “Ecofascism” ook al vertaald in een Noorse taal, en gepubliceerd. Dat werk trok de aandacht van de mensen van Humanist.
Werd je toen ook al zo zwaar bekritiseerd?
Tot op het einde van de jaren negentig was ik nog niet veel bekritiseerd geworden door antroposofen. In het boek over ecofascisme had vooral Janet de schrijver Rudolf Steiner en zijn antroposofie op de korrel genomen. Maar met het artikel in Humanist veranderde dat alles snel.
Hadden ze het soms bij het rechte eind?
Ja, mijn tekst voor Humanist was natuurlijk erg polemisch. En daardoor zijn er veel slechte dingen over de antroposofie naar voor gekomen. En er waren enkele fouten in de tekst terugvindbaar, maar die waren erg klein. Ik heb drie maanden de tijd genomen om die tekst te schrijven en dat was wat kort. Maar het klopt niet dat ik slechts secundaire bronnen gebruikt zou hebben, ik heb ook primaire bronnen gebruikt.
Welke secundaire bronnen?
Dat ging dan vooral om een boek van Peter Bierl. Hij heeft hier in Duitsland veel werk verzet om de antroposofie te bekritiseren.
Kun je Rudolf Steiner even situeren voor ons?
Hij leefde van 1861 tot 1925, en heeft verschillende periodes in zijn leven gekend. Toch had hij altijd een zeer complexe, ambivalente relatie met links. Bij de eeuwwisseling flirtte hij even met het gedachtegoed van Rosa Luxemburg en andere linksen. Net daarvoor was hij actief in een aantal radicaal-filosofische kringen. Hij werd geïnspireerd door Friedrich Nietzsche en de Duitse individualistische anarchist John Henry Mackay. En zo werd Steiner ook anarchist, maar dat zou niet lang duren. Ook zijn atheïsme niet, want daarna koos hij onomwonden voor mystieke stromingen als de theosophie.
Waarom verrechtste Steiner?
Wie zal het zeggen? Kwam het door een midlife crisis of door een gebrek aan inkomen? Ik weet het niet, maar na de eeuwwisseling begon hij volledig te geloven in occultisme en mysticisme.
Zijn er veel extreem-rechtse antroposofen?
Het gaat om een kleine minderheid, maar men moet het fenomeen niet minimaliseren. Walther Darré was bijvoorbeeld antroposoof en minister van landbouw onder Hitler. En Marie Steiner, Rudolf Steiner zijn tweede vrouw, sympathiseerde met de Nazi's. Tot op de dag van vandaag zijn er zeer rechtse antroposofen actief in Duitsland en Zwitserland. En in Rusland is er het fenomeen van de extreem-rechtse antroposoof en holocaustontkenner Gennadi Bondarew.
En de antroposofie in zijn geheel, is die invloedrijk?
Er is een internationaal netwerk, waarin men regelmatig de extreem-rechtsen tegenwerkt, maar ook niet altijd. Antroposofen houden zich bezig met het vervaardigen van medicijnen, met de mystieke biologisch-dynamische landbouw, met eigen scholen, enzovoort. Sommigen verdedigen “directe democratie”, in de vorm van referenda en zo. Maar dat is omstreden, de antroposofie is te weinig democratisch opdat directe democratie binnen die kringen echt voet aan de grond zou krijgen.
Zijn er dan ook banden met Alain de Benoist en zijn nieuw-rechtse kringen?
Wel, de Benoist heeft in elk geval enkele positieve commentaren neergeschreven over Rudolf Steiner. En men kan stellen dat de antroposofische beweging zeker niet altijd linkse opvattingen heeft. Diegenen die zichzelf als links van het centrum zien deradicaliseren links en zijn politiek vaak verward.
Friday, June 29, 2007
De wortels van Demalt in Zweden

Jakob en Svante op een bijeenkomst van Demalt, respectievelijk derde en vierde van links.
Svante Malmström (31) en Jakob Zethelius (25) waren zo vriendelijk mij een slaapplaats aan te bieden in hun klein en nederig appartement te Göteborg. Ik verbleef er meer dan vijf dagen, en voordat ik terug richting België vertrok deed ik nog een lang interview met hen.
"Natiestaten worden niet bestuurd volgens de belangen van 'de mensen' of het algemeen welzijn. Het kan er op lijken dat het zo is wanneer staten belastingen innen en verschillende publieke werken financieren, of wanneer staten wetgevingen invoeren om het milieu te beschermen. Maar, dit zijn niets anders dan pogingen om een compensatie te vinden voor de destructieve effecten van een markteconomie die natiestaten fundamenteel verdedigen." - Jonathan Korsar
Svante werkt voor een mindervalide persoon en Jakob is, zoals veel andere leden van de libertaire vakbond SAC, taxichauffeur. Al op jonge leeftijd geraakten ze geïnteresseerd in libertair links. Beiden waren ze toen actief bij Fältbiologerna, een organisatie die als twee druppels water lijkt op de Belgische jeugdorganisatie JNM. Ook Fältbiologerna houdt zich bezig met milieustudie en doet acties voor milieubescherming. “We gingen samen kruispunten bezetten”, zegt Svante. “Het was de tijd dat ik ook veel met antifascisme en acties tegen pornowinkels bezig was. Die acties tegen porno bestonden uit het spuiten van graffiti en lijm in het slot van pornowinkels.” Later ging Svante ook werken voor Fältbiologerna.
“Tijdens mijn studies aan een volkshogeschool leerde ik Jonathan Korsar kennen. Hij introduceerde me tot de ideëen van de sociale ecologie. We werden al snel vrienden en besloten om samen naar het Institute for Social Ecology in de Verenigde Staten te trekken. Het zomerprogramma van deze school (in het noorden van de VS) stond me erg aan, net zoals de ideëen van Jonathan. We interviewden ook een aantal van de lesgevers : Brian Tokar, Cindy Milstein, Chaia Heller en Daniel Chodorkoff. En er waren de interviews met Murray Bookchin, waar we veel mee praatten.”
Ook Murray Bookchin gaf les aan het Institute for Social Ecology. Hij leverde veel van de ideëen, zoals die van de politieke weg die veel Sociale Ecologisten insloegen. Bookchin noemde deze weg libertair municipalisme, daarin wordt de nadruk gelegd op de gemeente als locus voor verandering, en gepleit voor een electoraal politiek verlengstuk aan een libertaire beweging.
Svante : “Dat idee van deelname aan gemeenteraadsverkiezingen stond me in het begin niet aan. Ook de toon van Murray beviel me niet. Ik had voor mijn bezoek aan de VS een boek van Bookchin gelezen. Daarin waren een aantal van zijn vroege teksten gebundeld en vertaald in het Zweeds. In het Engels vind je ze trouwens terug in de boeken Post-scarcity anarchism en Toward an ecological society.”
Maar de ervaringen in de VS hielpen Svante van mening veranderen. Hij nam er deel aan een conferentie over libertair municipalisme en ontmoette er, een jaar na ik (naar aanleiding van een gelijkaardige conferentie in Lissabon), de Noren Eirik Eiglad en Sveinung Legard. Het was de tijd waarin de eerste bouwstenen gelegd werden voor Demalt, een Scandinavische organisatie die, weliswaar onopgemerkt, nogal wat heeft veranderd binnen de libertaire kringen van Scandinavië : met eigen tijdschriften en een uitgeverij, met veel studiegroepbijeenkomsten en ook... uitgewerkte programma's voor het bereiken van rechtstreekse democratie. Er is zelfs een deelname gepland aan de gemeenteraadsverkiezingen in Oslo later dit jaar, Demalt wil de gemeenteraad van binnenuit uithollen om er volxvergaderingen voor in de plaats te krijgen. “Een jaar nadat Jonathan en ik in de VS waren werd Democratisch Alternatief (Demalt) gelanceerd. Jonathan deed er aan mee, en daarna ik ook.”
Jakob zou pas veel later aansluiting vinden bij Demalt. “Bij mij begon de politieke bewustwording pas midden jaren negentig met de interesse voor punkmuziek, als jonge tiener. En niet alleen linkse politiek stond me aan, ook ecologische ideëen. Ik woonde in een stad van slechts dertigduizend inwoners, er gebeurde daar dus niet zoveel. Maar toen ik zeventien werd begon de SAC er met een lokale syndicalistische jongerengroep, net als de Linkse Partij. Ik wist niet goed wat van de twee te kiezen, dus koos ik maar voor de milieuorganisatie Fältbiologerna, die vanuit verschillende hoeken beïnvloed werd. Twee weken later stond er daarvan een lokale jeugdafdeling op poten.”
Jakob was ook geïnteresseerd in dierenrechten. Als reactie op een aantal mainstreamgroepen die met dierenrechten bezig waren, ontstonden er illegale actiegroepen die deden aan het bevrijden van nertsen en kippen. De ruiten van dierenwinkels gingen aan diggelen en vrachtwagens gingen op in vlammen. “Ik deed daar dus allemaal niet aan mee”, zegt Jakob, “veel meer dan flyers voor dierenrechten uitdelen deed ik niet, maar het hielp wel mee aan mijn politieke bewustwording om in radicalere dierenrechtenkringen actief te zijn. Later ging ik ook naar de grote protesten tijdens topbijeenkomsten van de EU etcetera : Praag (2000), Göteborg (2001), Kopenhagen (2003)... Eigenlijk was ik in veel dingen tegelijkertijd geïnteresseerd.”
De conferentie over libertair municipalisme (LM) in Lissabon, en het net daarvoor verschenen boek van Janet Biehl over LM had, in navolging van een handvol Noren die er naartoe trokken, ook de interesse gewekt van Zweden. De tekst van de lezing die Janet Biehl er gaf werd in het Zweeds vertaald. “Een vriend van me had het boekje”, vertelt Jakob, “en ik begon het ook te lezen. Ik vond het erg interessant. Ik vond meerdere tema's binnen links boeiend en die werden bijeengebracht in dat boekje. Ik was met bijna alles akkoord, behalve die idee van een militie die het politie-apparaat moest vervangen. Ik stond erg sceptisch tegenover elk gebruik van geweld. Maar daarna begon ik ook dit idee van een rechtstreeks-democratisch gecontroleerde militie te appreciëren.” Jakob las enkele jaren later ook het boek over LM van Biehl. In 2002 ging hij bovendien naar een zomerkampweek van Demalt, samen met bijna vijftig andere mensen. En hij las regelmatig het tijdschrift van Demalt..
“Er waren ook wat plannen voor een studiegroep die met dit tema aan de slag zou gaan, maar daar kwam weinig van in huis. Ik bleef ook in kleine steden wonen. Het veranderde pas toen ik vier jaar geleden in Göteborg kwam wonen. Ik was nog altijd actief bij Fältbiologerna. Svante gaf er eens een lezing over sociale ecologie, en ik kende hem van op het zomerkamp. Er vonden alternatieve politieke weken in Visby elke zomer plaats, waar ik leden van Demalt ontmoette. In 2004 werd ik daar dan zelf ook lid van.” Svante geeft regelmatig tekenen van herkenning. “Misschien was ik niet gemotiveerd genoeg om Jakob eerder erbij te betrekken”, verontschuldigt hij zich. “Er gebeurde in Gôteborg niet veel meer voor onze groep.”
Ik wil weten hoe de alternatieve vakbond SAC reageerde op Demalt. Svante : “Er zijn enkele debatten geweest toen we de organisatie lanceerden. Er was de dierenrechtenactivist Per-Anders Svärd die enkele dingen schreef om het communalisme van Demalt te verdedigen tegenover andere stromingen. Maar de SAC negeerde het allemaal wat. Soms zullen die mensen het zelfs bestrijden vanuit een arbeidersklassestandpunt. Partijen negeerden het allemaal nog vaker dan de SAC.” Volgens Jakob is het niet ongewoon dat nieuwe libertaire groepen weinig reacties opleveren. Pas als ze groter worden gebeurt dat bij de SAC. Svante : “Sommigen vonden het wel arrogant denk ik, dat we met die nieuwe ideologie op de proppen kwamen. Syndicalisten refereren niet vaak naar denkers, daarin verschillen ze van de communalisten van Demalt en de autonome marxisten.” Jakob zegt dat er verschillende libertaire groepjes het licht zien in Zweden, maar dat die vaak niet lang blijven bestaan. “Er is bijvoorbeeld ook de groep Alarm, die nogal geïnspireerd is door het insurrectionalisme.”
Ze menen in elk geval allebei dat er een verrechtsing aan de gang is in Zweden. “Misschien is die niet zo groot, maar toch...” Svante is duidelijk ontgoocheld in de sociaal-democraten, die naar rechts zijn opgeschoven. Jakob zegt: “Er zijn ook de aanvallen in de grote media geweest op de Linkse partij, en het communisme dat er inherent aan is. Dat heeft bijgedragen tot de verrechtsing. Lange tijd heeft men beweerd dat de sociaal-democraten hier het land regeerden, maar dat lijkt nu een afgesloten hoofdstuk te zijn. Ooit behaalden ze met gemak de meerderheid van de stemmen, nu nog maar een derde van de stemmen.”
Maar... is er dan een opening naar libertair links toe? Jakob : “Met de andersglobalisatieprotesten kwam er wel een debat op gang over links en geweld, en meer bewustzijn over de economische globalisering. De interesse voor niet-communistisch links is misschien wel groter dan vroeger.” Of ze er dan akkoord mee zouden gaan als ik zou zeggen dat die ontwikkelingen misschien gestopt zijn na 11 september 2001? Svante : “Het valt allemaal moeilijk in te schatten. Bij jongeren ziet men in elk geval een polarisatie ontstaan. Er is veel sympathie voor wat buiten het centrum te situeren is, zowel links als rechts. En ook de Groene partij is populair bij veel jongeren.”
Hoe verhoudt het communalisme zich volgens hen tot het feminisme? Jakob : “We moeten de feministen steunen, maar we streven naar algemene hiërarchieloosheid. Communalisme lijkt me de beste weg om een sociale samenleving te verkrijgen.” Svante vindt dat de feministische beweging een goede politieke benadering moet hebben. “Wanneer ze die nu heeft, is het vaak allemaal nogal traditioneel. Het gaat dan om Socialisme of Liberalisme. Dat gaat echter geen hiërarchieloze samenleving met zich meebrengen.” Zijn communalisten dan meer geïnteresseerd in feminisme dan omgekeerd? Er wordt gelachen, en het wordt door beiden beaamd. “Er moet aan gewerkt worden, aan het meer bereiken van feministes. We zijn ook veel met andere dingen bezig geweest. De SAC is meer suksesvol geweest in die materie. Ze hebben er lang aan zitten werken. In hun tijdschrift Arbetaren proberen ze een evenwicht te bereiken tussen mannen en vrouwen, en is feminisme wel degelijk een tema.”
Het is me opgevallen dat er over gevangenissen niet veel gezegd wordt door communalisten. Ik vraag hoe dat volgens hen komt. Jakob : “Het is één ding om te zeggen dat gevangenissen geen oplossingen vormen voor problemen. En dat wordt ook ondersteund door sociologische studies. Maar de samenleving moet wel reageren op geweld dat niet door de beugel kan.” Volgens Svante kan men niet zomaar zeggen dat men alle gevangenen vrij moet laten. “Maar je moet naar een samenleving streven waarin je geen gevangenen meer hebt. Zo'n samenleving is mogelijk. En ik geloof ook niet zo in straffen.”
Maar wanneer is die heel andere samenleving dan mogelijk? Jakob : “Er kunnen onverwachte dingen snel gaan gebeuren, met de economische instabiliteit van nu en de ecologische crisis en zo. Als we, de mensen, georganiseerd kunnen geraken en tot educatie van onszelf en anderen, dan kunnen er ook dingen snel gaan veranderen.” Volgens Svante leven we nu wel in reactionaire tijden. “Dus we zijn er nog niet erg op voorbereid om grote veranderingen te verwezenlijken. Bovendien hebben we goede regels nodig, dat wil ik toch nog eens benadrukken.”
Saturday, June 23, 2007
Alternatieve julipolitiek in Scandinavië

”Geen politici, enkel politiek”, dat idee vormt de basis voor een Alternatieve politieke week tijdens de tweede week van juli in het zuidoosten van Zweden, in de stad Visby. Op het eiland Gotland beleven daar progressieve radicalen van Zweden jaarlijks hun vakantie. Een vakantieweek met libertaire workshops, en daarna blijft men er weleens rondhangen.
Voor me zit één van de drijvende krachten achter de Alternatieve politieke week, Erik (30) . Hij is werkzaam bij de libertaire en feministische vakbond SAC in Göteborg. Hier staat de vakbond vrij sterk, met bijna duizend leden in en rond de stad. De SAC, met zijn tienduizend leden, ondersteunt mee de week. Erik legt uit waarom.
”Het is nu de vijfde keer op een rij dat we dit doen. Het is een jaarlijks georganiseerd evenement dat mee georganiseerd wordt door de leden van een lokale SAC-afdeling op het eiland. We willen iedereen bereiken die niet bij een partij zit en zichzelf tot libertair links rekent.” Het doet een beetje denken aan libertaire sociale fora die eerder in Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk plaatsvonden. Al is het initiatief weinig internationaal georiënteerd, bijna alle workshops vinden in het Zweeds plaats.
Eirik Eiglad van Demalt Noorwegen zal er ook spreken. Hij zal het hebben over revolutionaire geschiedenis en ecologische strategie. Noorse en Zweedse radicalen werken vaak samen, zeker binnen Demalt (Democratisch Alternatief, een Communalistische groep van zo’n dertigtal mensen).
Maar buiten de grenzen van Zweden is libertair links nogal marginaal in Scandinavië. En zelfs de dualer wordende samenleving van iets meer dan negen miljoen Zweden kent weinig libertaire inspiratie lijkt het wel, al blijft extreem-rechts hier zeer klein bij verkiezingen. Maar de publieke diensten zijn een stuk duurder dan in België. Openbaar vervoer, onderwijs en gezondheidszorg, daar is het in Zweden zeker niet zo goed mee gesteld eigenlijk. In de grote Nederlandstalige media wordt nochtans vaak een ander beeld geschetst.
Geen wonder dat nogal wat linkse, radicale mensen hier zich expliciet tegen het parlementarisme van partijen keren. De mensen van de Alternatieve politieke week doen dat ook. Leden van SAC, Demalt en anderen geloven meer in horizontaal netwerken en vormen van rechtstreekse democratie. SAC koppelt een democratisering van de Zweedse samenleving aan de mobilisering van arbeiders en arbeidsters.
”Arbetaren” noemt men hen hier, en dat gaat evenveel over bedienden als over fabrieksarbeiders en werklozen. Het is ook de naam van een door de SAC uitgegeven weekblad, dat vaak focust op arbeidersstrijd, feminisme en ecologie. Demalt ziet minder in het arbeiderisme en benadrukt het belang van strijd in de ”Kommune”, wat Zweeds is voor gemeente.
”Sinds de jaren tachtig bestaat er in Visby een traditie van lobbycircussen en speeches door politici”, zegt Erik. ”Vorig jaar zat het spel op de wagen. Er waren toen verkiezingen gepland in Zweden. En driehonderd organisaties deden er alles aan om hun eigen agenda op te leggen. Ngo’s en alternatieve partijen organiseerden niet alleen speeches, maar ook workshops en andere activiviteiten. Het vormde een hoogtepunt van netwerking. Voor dat soort dingen bieden wij een libertair alternatief aan.” Hij verwacht, naar jaarlijkse gewoonte, zo’n tweehonderd mensen. Daarvan blijft bijna de helft een hele week de workshops volgen.
”Die workshops zijn nogal divers, van feministische drags en genderbending (spelen met mannelijke en vrouwelijke rollen bij kledij) tot dingen over milieu en dierenrechten. Er worden ook plantaardige maaltijden geserveerd, en we laten mensen kennis maken met klassenanalyses, de wortels van het syndicalisme. Daarnaast is er ruimte voor circusacts, theater en graffiti.” Slaapgelegenheid is er in een school, laat Erik ook weten.
”De lokale SAC biedt, als enige lokale groep, eveneens een workshop aan. En er is een antifacist die komt spreken over de protesten tegen de G8.” Participeren in de organisatie van de week geeft recht op gratis verblijf en een bootticket naar het eiland waar de politieke week doorgaat. Staatssubsidies helpen, ironisch genoeg, mee aan de ondermijning van de Zweedse staat tijdens de Alternatieve politieke week.
Wednesday, June 20, 2007
Göteborg, zes jaar na de protesten tijdens de Eurotop

Göteborg. Het is inmiddels zo’n vier jaar geleden dat ik nog eens in Zweden was. Gisteren bezocht ik Kristian (30) en Marita (28), die ik ook interviewde. Het elkaar na vele jaren opnieuw zien verliep hartelijk, en waar ze woonden liep nu een uit de kluiten gewassen peuterdochter rond, die me op het einde van de avond wilde omarmen bij het afscheid. Dit afscheid kan dan ook niet definitief zijn…
Sinds ik in Göteborg ben aangekomen, een paar dagen geleden, heb ik geprobeerd de draad weer op te pikken die ik jaren geleden losliet. Zweden interesseert me weer, en zeker de linkerzijde in dit land. Ik kwam hier ook tot de herinnering dat ik jaren geleden meer van het land verwacht had. Er waren immers niet lang voordien de linkse protesten tegen de EU in Göteborg geweest, en die hadden een strijdvaardige beweging laten zien. Schrijvers als Geert Van Istendael en David Dessers hadden met motiverende interesse over de anarcho-syndicalistische vakbond SAC geschreven, die met zijn tienduizend leden een duidelijke stempel had gedrukt op de Zweedse linkerzijde. Er zijn ongeveer evenveel mensen op deze aardbol met een Zweedse als met een Belgische nationaliteit, en dus vond ik dat veel.
Maar in Göteborg was alles een stuk stiller geworden dan ik verhoopte en dacht. En dat is nu nog altijd zo. Op kraken staan in dit land strenge restricties, dus dat trekt de grootstad niet aan. Maar ook… de SAC heeft dan misschien wel veel leden, en de partijen links van de sociaal-democratie veel stemmen, een strijdvaardig links is er niet meer. Eurotoppen trekken veel protesterende mensen aan, maar grote media doen daarbij aan uitvergroting door de meest spectaculaire en extreme beelden te tonen. Een uitgebreid vervolg aan de protesten van zes jaar geleden is er niet gekomen, en Kristian denkt er net zo over.
”Er waren toen twee grote betogingen”, zegt Kristian. ”Eén richtte zich tegen de Globalisatie. Het was een samengaan van syndicalisten van de SAC, trotskisten, anti-parlementaire bewegingen, enzovoort. Met zijn 25000 mensen was deze betoging iets groter dan diegene die vooral een anti-EU betoging was. Dat er twee verschillende grote betogingen waren, kwam door een verschil in opinies over de te volgen koers bij de protesten. Niet iedereen wou met anarchisten samenwerken bijvoorbeeld.”
De protesten waren er gekomen doordat ze deel uitmaakten van een mondiale beweging. Toppen als die van Amsterdam, Seattle en Genua brachten in korte tijd veel mensen op de been, en vonden aansluiting bij een beweging die ook in de arme landen voet aan de grond kreeg. Zapatisten en anderen verzetten zich tegen de onrechtvaardige globalisering van het Kapitaal, de neoliberale logica van instellingen als de G8, het Internationaal Monetair Fonds, de Wereldhandelsorganisatie en de Europese Unie. Grappig lijkende Italiaanse activisten met bescherming biedende dikke witte overalls (Tuti Bianche) sloegen tijdens protesten met ballonnen op politie-agenten. Maar volgens Kristian volgden er in Göteborg geen lange-termijn-resultaten, en dus vraag ik hem waarom dat zo is…
”Welnu, er werden veel mensen gemobiliseerd en er kwamen verschillende politieke strekkingen op de voorgrond. Maar het draaide allemaal rond activisme, een activisme dat geen politieke basis had. Niet veel groepen lieten zien hoe het verder kon gaan richting grassrootsactivisme. Er waren de middenklasse-achtergronden ook. En er waren vakbonden, maar er was geen grootschalige aanwezigheid van de werkende klasse.”
Ik vraag hem waarom de grote vakbonden niet mobiliseerden. Kristian : ”De activisten stonden los van de vakbonden. Er vonden geen wederzijdse integraties plaats. De vakbonden waren erg bureaucratisch ingesteld, er bestond geen intentie om de leden te laten participeren. En de activisten verzuimden aan te tonen waarom de arbeid(st)ers meer moesten participeren.” In andere landen en op andere momenten waren er nochtans wel vakbonden die mobiliseerden voor de grote protesten tegen de geviseerde neoliberale intellingen. Maar protesten tegen de EU werden door de met de sociaal-democraten en andere mainstreampartijen verbonden vakbonden niet altijd gesmaakt. ”Misschien waren er in andere landen meer lokale groepen geëngageerd”, zegt Kristian. ”In Zweden zijn de grote vakbonden niet alleen erg bureaucratisch, maar reageren ze ook nogal stijf op dingen.”
Is het ook omdat de SAC een organisatie is die leden apart van de andere vakbonden organiseert? ”Misschien, het hangt af van de mensen die er mee bezig zouden zijn om het anders aan te pakken, en hoe men dan binnen die grote vakbonden aan de slag zou gaan. Er zijn in elke vakbond radicale mensen nodig. Maar eigenlijk is de SAC ook niet radicaal genoeg. Ze willen een pure organisatie zijn, zonder de werkende klasse te organiseren dus.”
Ik volg even niet meer, ”puur”? Kristian : “De SAC ziet het syndicalisme als de ware ideologie van de werkende klasse. Het maakt niet uit of die vakbond zichzelf revolutionair noemt of niet. De SAC bestaat nog altijd omdat die organisatie het idee creëert dat syndicalisme het beste is voor de werkende klasse. En dat terwijl er weinig militant gedrag is binnen de SAC. Veel draait om lidmaatschap zonder werkelijk activisme, en zeker zonder veel politiek. Dat hoort bij de ideologie ook. Syndicalisme mag volgens de SAC niet politiek zijn.” Ik vraag hem of hij vindt dat ze aan verkiezingen moeten meedoen. ”Ik denk niet dat electoralisme er veel aan zou veranderen eigenlijk. Vakbonden werken binnen de grenzen van het kapitalisme. Wanneer er radicalere tijden aanbreken zullen arbeid(st)ers nieuwe organisaties moeten opbouwen. Maar syndicalisten denken onterecht dat hun federaties de nieuwe samenleving zullen vormen.”
Voor ons liggen de twee nieuwe edities van het weekblad Göteborgs Fria, dat op het eerste zicht het midden lijkt te houden tussen een libertair tijdschrift en een mainstream weekblad. Ik reageer verbaasd wanneer ik er de televisieprogrammatie van de grote Zweedse zenders in aantref. ”Ze bestaan nu drie jaar”, laat Kristian weten. ” Er is ook een zustertijdschrift van in Stockholm en men heeft plannen voor een derde poot van de coöperatieve in Malmö. Als men aan een minimum van 2000 exemplaren komt heeft een tijdschrift recht op subsidies in Zweden. En ze zijn daar in geslaagd. Nogal wat werk dat er voor het tijdschrift geleverd wordt, is betaald werk. Het is het grootste linkse tijdschrift in Zweden. Een links dagblad als Klassekampen in Noorwegen hebben we hier trouwens ook niet. De Göteborgs Fria is vooral een cultureel iets. Er wordt veel over kunstactiviteiten in bericht bijvoorbeeld. In het begin draaide het ook meer rond dierenrechten, maar nu wil het naar eigen zeggen ’machten’ bekritiseren, machten als adverteerders en media.”
De media lijken hier niet minder mainstream te zijn dan elders in Europa. Vroeger was er in Zweden een sociaal-democratisch dagblad, maar ook dat is verdwenen. In Göteborg is er slechts één lokaal dagblad te koop : Göteborgsposten. Daarnaast zijn er drie commerciële lokale dagbladen die gratis zijn. Eén daarvan noemt Metro. Of er ook linkse boekhandels zijn in Göteborg? Kristian : ”Het hangt er maar vanaf wat je links noemt, maar ik kan er wel enkele noemen die je kan bezoeken. Je kent al het boekenwinkeltje in het gebouw van de SAC. Welnu, niet ver daarvan zijn er twee andere te vinden.”
Het was me al eerder opgevallen dat feminisme hier in Zweden wel relatief sterk staat in vergelijking met andere Europese landen. Marita heeft net haar handen vol gehad met haar dochtertje, maar komt er nu bijzitten. Ik vraag haar of er nog veel feministische bladen zijn. ”Ja, er is Bang natuurlijk.” Of dat blad verbonden is met de partij Feministiskt Intitiativ (FI)? ”Nee, het is linkser dan dat.” In België berichtte De Morgen meermaals over deze nieuwe feministische partij. Aan het hoofd ervan staat een nogal excentriek overkomende vrouw. Ik vraag aan Marita hoe de partij is samengesteld. Zitten er ook mannen bij? ”Ja, de partij bestaat uit zowel vrouwen als mannen en is deels verbonden met de onderwijswereld. Een aantal van de leden zijn actief in het tweedekansonderwijs voor immigranten. ” Ik wil weten of het onderwijs nog altijd zo duur is in Zweden. ”Ja, maar men kan leningen verkrijgen, en er zijn speciale kantjes aan ook. Zo is er bijvoorbeeld een studierichting natuurwetenschappen die alleen voor vrouwen toegankelijk is. Op die manier probeert men meer vrouwen in natuurwetenschappen geïnteresseerd te krijgen.” En toch… de sociaal-democraten hebben hier minder energie geînvesteerd in onderwijs dan in België lijkt me. En net als in Belgenland doen de sociaal-democraten het in Zweden niet al te best meer qua verkiezingsscores.
Zes jaar geleden was Marita actief bij het Communalistische Demalt (Democratisch Alternatief) tijdens de juniprotesten in Gôteborg. De groep benadrukt het belang van een samenleving met onderling samenwerkende politieke communes, en was toen nog vrij nieuw. Demalt mobiliseerde mee voor de protesten en probeerde meer naambekendheid te verwerven door, tijdens de protesten, eigen magazines te verkopen, en had een aantal lezingen met aansluitende discussies gepland. Aan civiele ongehoorzaamheid deden de Demalt-leden niet tijdens de EU-top, en toch werden heel wat leden gearresteerd. Marita vond het in elk geval beangstigend, ze was er niet op voorbereid en verloor alle illusies wat politiegeweld betreft. ”Sommigen zaten nog veel langer vast dan ik zonder iets gedaan te hebben. Dat kwam omdat zij vlakbij de Tuti Bianchi in een school verbleven. Ik zat ook in die school. De politie had het gebouw om 11 uur ´s morgens omsingeld. Tegen de avond drongen ze binnen en werden we allemaal gearresteerd. Pas de volgende ochtend lieten ze me weer los. Bush ging toen naar Göteborg komen, dat weet ik nog.”
Wednesday, June 6, 2007
De donkere zijde van de ecologie
door Rafa Grinfeld
Iedereen lijkt ecologist tegenwoordig. Men vindt ecologisten terug bij Groen!, maar ook steeds meer bij SP.A lijkt het wel. Maar schijn bedriegt…
Laten we eerst even ingaan op de visie van een aantal “Groene senioren” uit Vlaanderen…
“Ecologisten zijn sinds de jaren tachtig de politieke alternatiefstellers die zich onderscheiden van de aanhangers van de klassieke economie, van Adam Smith, David Ricardo, Karl Marx e.a. Ze doen dit door hun andere kijk op de waarde en de waardebepaling van goederen, producten, diensten, productieprocessen… Tegenover de ruilwaarde uitgedrukt in geld plaatsen de mensen uit de groene stroming, meer en meer de gebruikswaarde. Ze zien de globale gebruikswaarde van goederen en diensten.” Groene senioren, 2004
Ecologisten willen inderdaad niet achter de productie- en consumptiemachine aanhollen. Ze willen vooruitziend zijn en bij de keuze van producties en productiesystemen ingrijpen. Reeds bij de economische en sociale besluitvorming moet worden gedacht aan de globale gebruikswaarde van producten en systemen. Maar reeds in de jaren vijftig en zestig waren er ecologisten in de wereld. Dit wijst er op dat Groenen graag het ecologisme willen associëren met klassiek partijdenken en parlementarisme, met diepte-ecologie of met wat men in het Engels deep ecology en environmentalism noemt.
“Ecologisten zijn realisten. Volgens Konrad Lorenz de realisten van de toekomst. Daarom zien ze ook het belang van het monetaire.” Groene senioren, 2004
Waarom er een van traditie rechtse denker hier werd aangehaald door de Groene senioren is mij niet duidelijk. Dat ecologisten realisten zijn en daarom het belang van het monetaire inzien is ook eigenlijk een verdekt pleidooi voor het omarmen van markteconomie. Elk ander model wordt impliciet als onrealistisch voor de toekomst afgedaan, of het nu op kleine schaal of grote schaal plaatsvindt, binnen vijf jaar of binnen vijfduizend jaar.
Een model van morele, principiële economie waarin iedereen werkt naar vermogen en krijgt naar behoefte, zoals al vroeg verdedigd werd door de anarchocommunist Errico Malatesta en later ook door soortgelijke denkers, lijkt niet te passen binnen dit kader van “realisme”. Want ecologisten weten zogezegd dat geld onontbeerlijk is voor het organiseren van sociale rechtvaardigheid, maar dat er niet-monetaire dimensies aan de strijd voor rechtvaardigheid moeten worden toegevoegd.
Dit standpunt is eigenlijk eerder typisch voor “environmentalists” en niet voor ecologisten, het bestaande economische systeem wordt niet volledig in vraag gesteld maar moet een groene omschakeling kennen. “Ecology” en “environmentalism” worden erg vaak met elkaar verward, maar er is wel degelijk een verschil.
Ecologie draait om wetenschap en kennis van de natuurlijke processen, om radicaal milieudenken. Ecologie vindt zijn oorsprong in sociale rechtvaardigheid. Het is daar onlosmakelijk mee verbonden. Ecologische ontwrichting leidt tot sociale moeilijkheden. Sociale ontwrichting vormt een basis voor ziekte en ecologische problemen. Environmentalism stuurt niet aan op een breuk met marktdenken. Geld blijft de omgangsvormen kleuren, economische dualisering in de vorm van onrechtvaardige ongelijkheden in inkomen en behoeftenbevrediging kan verder blijven bestaan. Zeker voor de “ecologisten” van SP.A en de mensen van Groen! met de bekendste gezichten en het meeste media-aandacht, geldt dit.
“Realisme” houdt ook in dat mensen die deelnemen aan verkiezingen regerings- en lokale bestuursverantwoordelijkheid moeten opnemen. Parlementen, provincieraden en gemeenteraden zijn er niet voor de langdurige oppositie. Zelfbestuur wordt zo een vies woord, politieke communes een onbereikbaar ideaal, en municipalisme iets voor radicale stromingen in het zuiden van Mexico.
Saturday, May 26, 2007
De verkiezingen van 10 juni ... naar een roomsblauw overwicht?
door Rafa Grinfeld
Nog twee weken en het zijn weer federale verkiezingen, voor België de meest belangrijke verkiezingen sinds jaren. Er lijkt immers een machtswisseling op komst. Een federale regering zonder de PS, kan het? De kans wordt met de dag groter.
De arrogantie van de PS kon niet blijven duren. Het imago van onaantastbaarheid ligt aan diggelen. De PS leek zich tot nu toe alles te kunnen permitteren : corruptie, onwrikbare baronieën en ander elitisme, dronken en plat populisme, steun aan de wapenhandelsector, dienstbetoon,... Niks was te gek voor de Franstalige sociaal-democraten. België werd, met overdrijving, “l'état PS” genoemd. Elio Di Rupo werd uitgeroepen tot één van de machtigste mensen van het land (jammer genoeg geloofde hij het wellicht nog zelf ook). Maar aan dit opgeblazen succesverhaal lijkt nu een einde te zijn gekomen. De PS zou volgens peilingen niet meer de grootste Franstalige partij zijn. Dat is nu de MR, de partij van de gladde Didier Reynders en de vadsige Louis Michel.
De liberale MR monopoliseert de Franstalige rechterzijde. Extreem-rechts stelt in Wallonië voorlopig niks meer voor op electoraal vlak. Het is ten onder gegaan aan de interne conflicten en het corrupte gesjoemel van zijn belangrijkste kopstuk. De liberalen daarentegen scoren beter dan ooit, en de in het centrum actieve Franstalige Christen-democraten scoren misschien opnieuw meer dan 20% in juni. Het hoeft ons dan ook niet te verwonderen dat de Christen-democraten in Vlaanderen minder de communautaire kaart trekken dan vroeger. Met een centrum-rechtse meerderheid in Wallonië vallen er zaken te doen voor de CD&V. De volgende premier van België wordt dus misschien wel Yves Leterme, zogezegd een vakbondsman maar in werkelijkheid volledig geïntegreerd in het establishment.
Wat er zich links van de sociaal-democraten afspeelt? Geen haan die er naar kraait, geen leeuw die er de moeite voor neemt om te klauwen. Groen! begrijpt nog altijd niet dat ecologie en markteconomie niet goed samengaan. Het CAP krijgt helemaal geen media-aandacht, nog minder dan de PVDA. Van hun Waalse zusterorganisaties komt men evenmin iets te weten. En in rode kringen lijkt men niet te beseffen dat Lenin al lang dood is, en dat Bolsjewisme geen linkse strekking was, of op zijn minst dan toch wel een linkse strekking van het vulgaire soort. Zelfs binnen de linkerzijde van de SP.A leeft dat besef niet.
Indien we na de verkiezingen een roomsblauwe regering krijgen, zouden er snel en vervroegd verkiezingen voor de Gemeenschappen kunnen volgen. Al zullen de sociaal-democraten niet snel dwarsliggen vanuit de regionale overheden. Alle retoriek omtrent het “verkiezingen te laten samenvallen” om “de burgers” niet te veel te belasten kan dan wegvallen. Alles moet dan weer het veld ruimen voor het nieuwe centrum-rechtse overwicht. Jean-Marie Dedecker kan opnieuw uitgelachen worden omdat zijn partij de kiesdrempel niet haalt, klein-links ook. De arrogantie van de PS zal moeten plaatsmaken voor een arrogantie van het nog ergere soort. En alles wat er tegen in gaat zal genegeerd worden, meer nog dan beschimpt. Als de federale verkiezingen werkelijk iets zouden veranderen, dan had het establishment ze al lang proberen af te schaffen.
De linkerzijde zal nog maar eens ontgoocheld geraken in het parlementarisme. Nu al vinden meer en meer linkse mensen de energie niet om campagne te gaan voeren in de aanloop naar verkiezingen. De reacties zijn uiteenlopend : van libertaire barricadenstrijd tot filosofisch café of het zich met de gitaar terugtrekken op een zolderkamer, van geduldig vakbondswerk tot het leiding nemen binnen de jeugdbeweging. De zondebok van grote delen van links is niet expliciet het parlementarisme maar “de politiek”, waarmee men het geheel van politici bedoelt. Links is in België verrassend apolitiek, maar gooit het kind met het badwater weg. Een coherente politiek voor een andere samenleving met vrije, samenwerkende communes in zelfbeheer... heeft daar al iemand aan gedacht?
Subscribe to:
Posts (Atom)
Wat maakt iemand anarchistisch?
Volgens mij heeft het vooral met een gevoel te maken ergens bij te horen. Als men zich weinig thuis voelt in de anarchistische beweging gaat...
-
Volgens mij heeft het vooral met een gevoel te maken ergens bij te horen. Als men zich weinig thuis voelt in de anarchistische beweging gaat...
-
door Murray Bookchin Dit is één van Murray's laatste teksten, deze zomer stierf hij na een lang leven van toegewijd links activisme en v...
-
Libertarische liberalen zetten zich vaak in voor een maatschappij met vergaand liberalisme, een minimale staat op economisch vlak en uitgesp...